msc zorg tellen en vertellen in de spreekkamer

In 2010 schreef Wim Hullegie, toentertijd redacteur van het tijdschrift Physios, een drieluik over de mythe en werkelijkheid van evidence-based fysiotherapie. In de eerste twee delen nam hij de lezer mee in de hogesnelheidstrein van het evidenced-based denken en besprak hij de rivaliteit tussen het biomedische en het klinisch-epidemiologische denken in de geneeskunde. Het derde deel van dit drieluik, ‘Een pragmatische visie op meten in de fysiotherapie’, was vooral een pleidooi om terughoudend te zijn met het ongebreideld inzetten van meetinstrumenten zonder dat duidelijk is welk doel daarmee bereikt moet worden. Alleen meten wat we willen weten, dus. Helaas blijkt niet alles zich in tien jaar te ontwikkelen en is wat Hullegie in 2010 schreef nog steeds actueel.

Het pleidooi van professor De Vet voor ‘alleen meten wat we willen weten’ is relevanter dan ooit. Het adagium is helaas verworden tot: ‘alleen meten wat u kunt tellen’. We leven nog meer dan tien jaar geleden in een accountability- en rankingsamenleving. Technocratische bestuurders en beleidsmedewerkers tellen zich een ongeluk. De financiële meetbaarheidstendens sluit aan bij de visie van neoliberalen voor wie niets uit zichzelf beter is dan iets anders. De intrinsieke waarden zijn zo goed als verdwenen. Het enige wat in onze samenleving nog telt, zijn de omzet- en declaratiecijfers.

Toch kunnen we vertrouwen hebben in de fysiotherapie. Wij kunnen het regime van maat en getal wel aan. Fysiotherapeuten kennen de intrinsieke waarde van hun vak, maar weten zich niet goed raad met al dat geweld van beleidsbepalers. Als beroepsbeoefenaars weten we dat het bij klinisch redeneren in de praktijk van alledag gaat om zowel tellen als om vertellen. Het gaat om de verhouding tussen het denken (weten) en het regime van maat en getal. Het zelfstandig denken moet niet het onderspit delven bij het gebruik van onderzoeks- en meetinstrumenten. De reductie tot statische gemiddelden maakt dat variatie aan het oog wordt onttrokken en afwijkingen van het gemiddelde al gauw als stoornis wordt gezien. Zo wordt uitgegaan van het tekort en niet van het vermogen van mensen om te herstellen.

En daar gaat het ons paramedici om: oog hebben voor de variatie. Dat is waarschijnlijk wat De Vet bedoelt: meten wat we willen weten. Epidemiologen noemen dit validiteit. Met de gedachten dat meten tellen is geworden, zien we vaak de essentie over het hoofd. Daarom loopt het af en toe spaak in de paramedische praktijk. Maar de veerkracht van de beroepsgroep is groot. Het gaat om tellen en vertellen. Lopen op twee benen waar mogelijk.

Lees het artikel van Wim Hullegie over de pragmatische visie op meten in de fysiotherapie, geplaatst in Physios 3 in 2019.

motus mori hanneke wetzer

De Duitse choreografe Katja Heitmann maakt met tien dansers een museum van de uitstervende lichamelijke beweging. Musea zijn bedoeld om de menselijke cultuur en geschiedenis te preserveren. Het is haast vanzelfsprekend dat ze dat doen in objecten, installaties en, af en toe, verhalen. Maar in die gestolde versie van ons leven ontbreekt de menselijkheid zelf. Zes weken lang, vijf uur per dag stellen de dansers en de choreografe zichzelf de bijzondere taak om bezoekers gevoelig te maken voor de diepe menselijkheid die in het lichaam schuilt.

Katja Heitmann (1987, Duitsland) opereert op het snijvlak tussen dans en beeldende kunst, performance en installatie. In haar werk onderzoekt zij wat de mens beweegt in het huidige tijdsgewricht. In 2016 won Katja de Prijs van de Nederlandse Dansdagen. Het choreografische werk van Katja Heitmann bestaat uit nadrukkelijke esthetiek, in scherp contrast met de menselijke feilbaarheid. Haar radicaal-minimalistische en hyper-vormgegeven beeldtaal confronteert de toeschouwer met een woeste zee aan inzichten. Een spanningsveld dat telkens opnieuw in haar werk naar voren komt.

Voor de tentoonstelling Museum Motus Mori zijn choreografe Katja Heitmann en haar dansers op zoek naar mensen die hun houding en beweging willen doneren. Dat gebeurt in een bewegingsinterview: een unieke één op één ervaring voor iedereen die een uurtje de tijd heeft.

Katja Heitmann licht toe: “Als deelnemer aan zo’n bewegingsinterview krijg je eigenlijk een persoonlijk bewegingsportret. Dat wordt in het archief opgenomen en door de dansers in de tentoonstelling uitgevoerd. Daarin schuilt voor mij een belangrijke betekenis. Want beweging kun je eigenlijk helemaal niet vastleggen. Deze tentoonstelling verandert dus continue. Daarom zoeken we mensen die ons willen helpen de tentoonstelling letterlijk ‘in beweging’ te brengen.”

De tentoonstelling is te zien van 13 september tot 27 oktober 2019 in Marres, Huis voor Hedendaagse Cultuur in Maastricht

Wil je een beweging doneren? Dat kan op iedere dag dat de tentoonstelling geopend is. Stuur een mailtje naar bewegingsinterview@marres.org en Katja neemt zo snel mogelijk contact op om een afspraak te maken.

Foto: Hanneke Wetzer

msc zorg falend zelfmanagement fysiopraxis

Het appel op zelfmanagement kan pas zijn vruchten afwerpen, als dit gepaard gaat met een andere ziekteperceptie. Langs de lijnen van het vigerende zelfmanagement en een ziekteperceptie gebaseerd op dualisme, analyseren we het falen ervan. We pleiten ervoor om zelfmanagement vanuit een systeembiologisch perspectief te bekijken en van daaruit een visie te ontwikkelen op acties en activiteiten van patiënten.

Lees het artikel van Jurjen Bosga en Wim Hullegie in de FysioPraxis van september 2019, of klik voor de PDF.  

msc zorg omgekeerd bouwen fysioholland

‘s Morgens op weg naar mijn werk, fiets ik langs een groot bouwterrein. Aan het hek hangt een spandoek waarop de slogan ‘Slopen is omgekeerd bouwen’ staat geschreven. Bouwen en oude gewoonten afbouwen is wat er in de fysiotherapie ook aan het gebeuren is of zou moeten gebeuren. Hele aangebouwde vleugels zullen bij de verbouwing gerenoveerd moeten worden. De grootste fysiotherapie-organisatie in Nederland, FysioHolland, heeft de kennis, het inzicht en een gezonde dosis werklust om bestaande complexe fysiotherapiebouwwerken te veranderen. Dit is geen gemakkelijke klus voor de directie, fysiotherapeuten, andere collega’s en betrokken partners van FysioHolland. Ze staan aan het begin van een ommekeer in de fysiotherapie.

Sinds mijn afstuderen in de jaren zeventig staat ‘het fysiotherapiegebouw’ al ter discussie. De renovatie is toen al geprobeerd in te zetten. Wat is er aan de hand? Het probleem heeft te maken met de theoretische aannames van de fysiotherapiewetenschap. De onderliggende boosdoener is de identificatie met de nog steeds overheersende scheiding van lichaam en psyche dat onlosmakelijk verbonden is aan de biomedische theorie. De fysiotherapie staat met één been in de succesvolle natuurwetenschappelijke biomedische traditie van denken. Sinds eeuwen hanteren wetenschappers een machinemetafoor die ze over de natuur heen leggen. Als bij een puzzel wordt stukje voor stukje inzicht gegeven in het totale plaatje dat mens heet. Speuren naar causale relatie tussen de aandoening en de klachten. Dit wetenschapsmodel heeft zeker succes bij bepaalde ziekten of aandoeningen. Laten we het een standaard-onderzoeksmodel van ziekte en gezondheid noemen. Repareren met operaties en medicijnen. En hopen op herstel. Maar de puzzelstukjes passen niet altijd en herstel verloopt niet altijd vloeiend.

De World Health Organisation heeft dit vijftig geleden al goed doorzien. De medische diagnose, de ziekte of het beschreven syndroom correspondeert niet altijd met de manier waarop iemand in de wereld zijn taken blijft uitvoeren. Er zijn discrepanties tussen enerzijds de pathologie en anderzijds het functioneren in het sociale domein. Het standaardmodel heeft weinig te melden over de grote verschillen bij herstel.

De gekozen modellen om de discrepanties te beschrijven zijn theorieloze modellen als BioPsychoSociale model en de Internationale Classificatie Functioneren (ICF). Met deze modellen kunnen we de geconstateerde discrepanties tussen klacht en aandoening niet onderzoeken omdat de samenhang tussen persoon, taak en wereld niet wordt geagendeerd. Ze hebben geen meerwaarde. De wetenschappelijke theorieën uit het motoriekonderzoek om de samenhang te bestuderen en te kijken hoe mensen bijvoorbeeld compenseren bij fysieke problemen, gebruiken we niet. We hebben niet geleerd om biologisch te kijken naar compensaties en stagnaties van herstel.

Hoe komt het dat de ene persoon goed met een ziekte om kan gaan en de andere met een vergelijkbare aandoening meer beperkingen heeft ontwikkeld? Waarom heeft de één een flexibel neuromotorisch systeem ontwikkeld en de ander juist rigiditeit? Evolutionair gezien herstellen mensen net als andere dieren. Wondgenezing van bot, ligament en spieren krijgen we cadeau van de natuur. Medici maken er in de spreekkamer dankbaar gebruik van. De natuur kan mild zijn. Maar soms ook wreed.

Wij fysiotherapeuten komen in beeld op het moment dat er sprake is van stagnatie van het herstel. Nadenken over herstel is hetgeen we gemeenschappelijk hebben met medici. Maar wij therapeuten ontwikkelen interventies om dit te proces paramedisch te ondersteunen. Hoe we dit het beste kunnen doen, weten we niet. Evolutionaire herstelfenomenen bestuderen zou de kern moeten zijn van de fysiotherapiewetenschappers.

Helaas blijven we te vaak gewoon doen en onderzoeken wat we al veertig jaar doen. Kletsen over mobilisaties op de vierkante millemeter, een beetje spierkrachtverbetering, etc. We maken daarbij gebruik van biomedische parameters. We ontwikkelen een begrippenkader dat geënt is op het biomedisch denken: denk hierbij onder andere aan artrogene mobilisatie, spierversterking en conditieverbetering. Deze manier van denken is gedateerd.

Hoe moet het dan wel? We moeten bouwen aan het uitgangspunt dat patiënten leren ‘onhandig’ compensatiegedrag te herkennen. Wie gaat dit initiëren? Mijn hoop is gevestigd op de landelijke organisatie FysioHolland die in hun uitgangspunten een duidelijk keuze hebben gemaakt voor evolutionaire fysiotherapie, waarde hechten aan de relatie tussen therapeut en cliënt en gericht is op doelen in het sociale domein. Kijken vanuit evolutionair perspectief naar herstel is voor de moderne fysiotherapeut de manier om uit de klauwen van absurdistische verklaringen te blijven. De fysiotherapeuten van FysioHolland worden de koplopers van onze beroepsgroep alhoewel velen dit nog niet zien.

Dr. Wim Hullegie
Fysiotherapeut Hullegie & Richter Fysiotherapie Enschede
Onderzoeker evolutionaire fysiotherapie
Directie-adviseur FysioHolland Nieuwegein

msc zorg een aap op schoenen

Ongeveer 7 miljoen jaar geleden was het raak: onder de Afrikaanse mensapen ontstond een radicaal nieuwe evolutielijn van rechtop lopende mensapen, uitkomend via Homo erectus bij de moderne mens. Deze evolutionaire “klapper”, essentieel voor de moderne mens, blijkt nu bovendien de planeet aarde zelf tot in alle uithoeken fundamenteel te veranderen.

En toch, Homo sapiens, wij dus, zijn biologisch gezien nog steeds mensapen, zoogdieren en gewervelde dieren. Alhoewel ons definiërende kenmerk het lopen op twee benen is, herinneren vele (rest)kenmerken van ons bewegingsapparaat aan het verleden als viervoeter.

Evolutiebiologen zien een mismatch tussen organisme en omgeving: haalt onze technische, culturele en sociale ontwikkeling onze evolutionaire ontwikkeling in? Kan ons lichaam deze ontwikkelingen niet bijbenen? Of begrijpen wij onvoldoende van hoe wij evolutionair ontwikkeld zijn, en hoe medische en technische ontwikkelingen daarbij zouden kunnen aansluiten? De mens moet bewegen om (gezond!) heel oud te kunnen worden.

Wat kunnen we met deze gegevens bij de beoordeling van een vastlopende gezondheidszorg?

In het symposium ‘Een aap op schoenen’ nemen we je mee in de koersverandering naar gezonder oud worden. Tot 1 april 25% korting bij voorinschrijving.

De marathon van Enschede in 2019 is op 14 april. We kunnen dan genieten van de vele getrainde en ongetrainde mensen die meelopen. De een loopt net iets energiezuiniger dan de ander. De meesten blijven redelijk rechtop lopen en houden het redelijk lang vol. Hopelijk blijven de typische voetblessures uit, die overigens net zo oud zijn als de mensheid.

De voetblessures die we vandaag kennen, speelden ook al in het verre verleden. Dit blijkt uit fossielen die allerhande prehistorisch letsel laten zien aan de benen. Vooral acute blessures, zoals verstuikte enkels en botbreuken. Waarschijnlijk kampten onze voorouders ook met overbelasting, maar dat is lastiger terug te vinden omdat zacht weefsel snel vergaat.

Hoe je voetblessures voorkomt weten wetenschappers absoluut niet. Wel een tip. Verander niks aan je schoenen omdat je looppatroon er in de ogen van je omgeving niet mooi uit ziet. Zolang je prettig loopt zonder blessures blijf dan vooral lopen op dezelfde schoenen. Welke speciale hardloopschoenen je ook probeert, het blijft vaak behelpen als je eenmaal een hardnekkige blessure hebt opgelopen. Er bestaan geen magische oplossingen voor deze blessures. Iedere loper moet het helaas een beetje zelf uitzoeken. Soms kan een goede masseur of een fysiotherapeut je ondersteunen.

Hoe zit het dan qua evolutie met onze voeten?

Hoe je het ook wendt of keert, onze voeten zijn evolutionair gezien blessuregevoelig. Ongeveer 7 miljoen jaar geleden was het raak: onder de Afrikaanse mensapen ontstond een radicaal nieuwe evolutielijn van rechtop lopende mensapen, uitkomend via Homo erectus bij de moderne mens. Deze evolutionaire ‘klapper’ laat onverlet dat wij biologisch gezien nog steeds mensapen, zoogdieren en gewervelde dieren zijn. Het kenmerk van de mens is het lopen op twee benen.

Flexibele grijptenen worden rechte tenen

De evolutionaire ‘klapper’ was het begin van veel voetellende. De flexibele voeten met ‘grijptenen’ om mee te klimmen werd omgezet naar rechte tenen om te kunnen afzetten van de grond. In mechanisch opzicht hebben deze rechte tenen een voordeel. Maar mechanisch gezien was het nog efficiënter geweest om die 26 botjes om te bouwen tot twee grote botten met tenen zoals bij de poten van de struisvogel of bij de hoefdieren. De pezen zorgen voor een goede opslag van elastische energie waardoor je erg hard kunt lopen. Vergelijk het met een pogo stick. Door een soort van compromis van de natuur behielden wij 26 botjes in onze voet. Deze botjes worden met plakband en paperclips in de vorm van een dikke laag spieren en bindweefsel bij elkaar gehouden. Dit maakt het geheel instabiel en kwetsbaar. Maar wél multifunctioneel: we kunnen nog steeds in bomen klimmen. Zachte weefsels moeten de klappen opvangen en dat kan scheurtjes geven. De mensenvoet wordt ook nog eens extra zwaar belast: ons gewicht is verdeeld over slechts twee benen en niet over vier zoals bij de meeste zoogdieren. Daarom verstuiken onze enkels bijvoorbeeld snel, omdat ze te flexibel zijn; een overblijfsel van wendbaar zijn in de bomen. En waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de vele voetklachten.

Lopen als een struisvogel

Mechanisch gezien werkt de voet eigenlijk niet optimaal. Om een goede marathon te lopen heb je de poten nodig van een struisvogel. Dan kun je tenminste ook nog eens snelheid maken, iets van 70 kilometer per uur. Onze voeten zijn inmiddels aangepast om te wandelen en te zitten in een moderne samenleving. De efficiëntie ervan wordt in het dagelijks leven zelden meer zwaar op de proef gesteld. Als iemand nu minder efficiënt loopt dan de rest, wordt hij niet meteen opgegeten door een luipaard. Maar de afname van die overlevingsrisico’s heeft wel gevolgen gehad voor de bouw van onze voeten. Althans dit denken onderzoekers onder leiding van Jeremy DeSilva van Dartmouth College in het Amerikaanse New Hampshire (ref). Vele variaties van de vorm van de voet zijn blijven bestaan en van de verschillende loopstijlen kunnen we bij de marathon van Enschede in april 2019 weer volop genieten. Superknap wat deze lopers met hun blessuregevoelige voeten weer presteren. Een beetje struisvogelpolitiek hebben ze wel nodig, want helemaal ongeschonden uit de strijd komen is bijna onmogelijk. Eigenlijk weten de meesten dit zelf wel.

Literatuur

  • Daniel E. Lieberman. Het verhaal van het menselijk lichaam. Evolutie, gezondheid en ziekte. Atlas Contact 2013
  • Loopblessures zijn prehistorisch. Runners’s World. Mei 2017 MEI 2017 Mariska van Sprundel
  • Jeremy DeSilva van Dartmouth. Special Issue: Australopithecus sediba The Anatomy of the Lower Limb Skeleton of Australopithecus sediba. PaleoAnthropology 2018: 357−405. 2018 PaleoAnthropology Society.
  • De metafoor van de paperclips en plakband hebben we overgenomen van Mariska van Sprundel. Het hele artikel is geïnspireerd op haar goed leesbaar artikel in Runner’s World. Zij geeft het belang van evolutionair kijken naar bewegen goed weer. Omwille van de leesbaarheid hebben we stukken tekst geparafraseerd verwerkt.
hullegie & richter sponsor dos-wk

Vanaf dit jaar biedt DOS-WK als tegenprestatie aan om te helpen met het bouwen van een leuke, nieuwe en informerende social media-pagina op Facebook. Waar hopelijk niet alleen korfballend Enschede wat aan zal hebben. Wat een goed idee! Zo helpen wij elkaar. Hullegie & Richter helpt waar nodig al jaren leden van DOS-WK met de juiste behandelingen of adviezen.

Sinds een paar maanden bestaat er een Hullegie & Richter Facebook-pagina. Hierin zal DOS-WK een actieve rol spelen. Naast het korfballend talent van de leden, heeft DOS-WK genoeg in huis aan technische en communicatieve kennis om hier een mooie bijdrage aan te leveren. Hierin kunnen we elkaar super versterken!

Samen de verbinding zoeken en nieuwe kansen aangrijpen is wat ons al jaren bindt! Als blijk van deze mooie samenwerking hangt het oude wedstrijdshirt van DOS-WK in de oefenruimte bij Hullegie & Richter.

hullegierichterartrosesymposium
Op dinsdag 26 maart 2019 van 16.00-18.30 uur organiseert FysioHolland het Symposium ‘Maatwerk in de artrosezorg’. Dagvoorzitter is Wim Hullegie, medeverantwoordelijke voor het onderzoeksbeleid van FysioHolland.
 
FysioHolland vindt dat een goede therapeutische relatie een voorwaarde om als behandelaar oog te houden voor persoonlijke variatie en diversiteit in de behandeling.
 
Maatwerk in de artrosezorg wordt op het symposium door drie gerenommeerde sprekers vanuit verschillende perspectieven belicht. Daaraan voorafgaand vertelt Boris van de Vorst over zijn ervaringen met artrosezorg en het belang van de therapeutisch relatie.
 
Locatie: THIM Hogeschool, Archimedesbaan 2, Nieuwegein
 
Interesse? Meld je aan!
hullegierichterdryneedling

Stichting Skepsis bekritiseert beweringen die niet zijn gebaseerd op fatsoenlijk wetenschappelijk bewijsmateriaal. Of beweringen die door de mand vallen wanneer ze op de proef worden gesteld. Bijvoorbeeld in de gezondheidszorg.

Hoe zit dit nu met dry needling, het populaire ezeltje-prik voor fysio’s, volgens Skepsis?

Sinds het begin van deze eeuw is dit ‘medisch verantwoorde’ spierprikken ongekend populair geworden. Een arts of fysiotherapeut kan al na een opleiding van enkele dagen patiënten behandelen. Dry needling is op zichzelf een veilige behandelwijze: behalve wat jeuk en een enkele infectie zijn er geen bijwerkingen. De therapie wordt door verzekeraars vergoed als normale fysiotherapie. Of het werkt, is vers twee.

Therapeuten rapporteren inderdaad genezingen. Echter, studies naar het effect kunnen deze genezing niet bevestigen. Het is moeilijk om eenduidig de pijnpunten op te sporen. Heeft de behandelaar dan toch een triggerpoint gevonden, dan is de kans dat hij zijn naald er precies in prikt uiterst klein. De theorie erachter is onduidelijk. De effecten ook. Het steken van naalden in triggerpoints zijn en blijven voorlopig overbodige prikacties, volgens Dirk Koppenaal van Skepsis.

Kortom: dry Needling is ezeltje-prik voor fysio’s. Het helpt af en toe, maar het werkt niet. 

Meer weten? Wim heeft een artikel geschreven met als  titel ‘Prikaccident of conceptuele blindheid‘ (Fysiopraxis 10,  december 2017/ januari 2018).

msc zorg liesklachten
Pijn in je lies tijdens het rijden? Last van je spieren aan de binnenkant van je bovenbeen? Grote kans dat je problemen hebt gekregen met de zogenaamde ‘ruiterspier’. Opvallend veel beroepsruiters krijgen er vroeg of laat een keer mee te maken. Ze negeren de klachten onder het mom van ‘het is maar spierpijn’ en ‘het verdwijnt wel weer’, maar de gevolgen daarvan kunnen groot zijn. Geen enkele ruiter zit er op te wachten om een tijd langs de zijlijn te staan. Maar welke route moeten ze bewandelen als ze klachten hebben? Marcel Richter, fysiotherapeut bij Hullegie & Richter, helpt ons op weg.
 
“Liespijn is een veel voorkomend en vaak frustrerend probleem bij professionele ruiters”, steekt Marcel Richter van wal. “Vaak wordt er niets aan gedaan in de hoop dat het vanzelf weer overgaat. Niet zeuren, maar doorgaan. Niet wetende dat kleine lichamelijke ongemakken kunnen uitmonden in grote blessures. Met als resultaat dat de ruiter voor langere tijd uitgeschakeld is.”
 
Veel ruiters rijden te lang door met liesklachten. “Negeer je dit, dan kan de blessure ontaarden in een chronisch probleem. Het risico is dat de pees of spier gedeeltelijk en soms volledig afscheurt waardoor soms zelfs een operatie noodzakelijk is. 
 
Een artikel van Wendy Scholten, in samenwerking met Marcel Richter, over de ruiterspier, die bij veel (beroeps)ruiters vroeg of laat een keer opspeelt. Het advies voor beroepsruiters: Laat je medisch checken!
 

Amateuristische houding

In de hippische sport gaat altijd veel aandacht uit naar het paard. Hoe het met de gesteldheid van de ruiter is, daar is veel minder oog voor. Marcel verbaast zich over deze amateuristische houding. “Er gaat in de paardensport ontzettend veel geld om. Voor de paarden worden kosten noch moeite gespaard. Ze krijgen optimale verzorging, voeding, training en begeleiding door een dierenarts en hoefsmid, et cetera. Het ontbreekt hen aan niets. Ze worden zeer professioneel begeleid met als doel dat het paard optimaal kan presteren. Anders is het gesteld met de ruiter, zo is mijn ervaring. Ze maken lange, intensieve werkdagen. Ze rijden gemiddeld 8 tot 10 paarden per dag, sommigen zelfs meer, en dit vaak zeven dagen per week. Want in het weekend rijden ze veelal op concours. Zitten ze eens niet op het paard, dan zijn ze onderweg in de auto. Al met al een zeer eenzijdige belasting. Deze statische sport met zittende houding vergt veel van de rug- en heupspieren en de adductoren, oftewel de aanvoerders van de bovenbenen.”
 
Er zijn genoeg buitenstaanders die stellen dat paardrijden eigenlijk geen sport is omdat het paard de grootste fysieke inspanning levert, niet de ruiter. Marcel, die zelf geen actieve hippische achtergrond heeft, neemt de rol van de ruiter wel heel serieus. “Ik beschouw een beroepsruiter als topsporter. Er zijn bijna geen andere professionele sporters die zo ontzettend veel uren in de week maken als dat een ruiter doet. Het verbaast mij dan ook dat een ruiter zichzelf niet als een topsporter verzorgd, terwijl hij of zij in kwestie net zo belangrijk is als het paard. Ze vormen in de ring een twee-eenheid, als de één niet optimaal kan presteren, zal de ander dat ook niet kunnen.”
 

Statische houding

Het probleem zit hem er in dat beroepsruiters langdurig in een intensieve, statische en zittende houding verkeren, waarbij de benen nagenoeg continu aangespannen worden om goed contact met het paard te houden en zelf goed in balans te blijven. Vergeet niet de krachten die op de adductoren komen bij een landing na de sprong. ”Veel statische arbeid geeft een slechtere doorbloeding, met als gevolg een verhoogde kans op spierklachten”, legt Marcel uit.
 
“Behalve dat ruiters vaak lage rugklachten, pijnlijke knieën en/of enkels hebben, komen er dus vooral problemen voor met de zogenaamde ‘ruiterspier’. Dat uit zich in beginnende spierpijn en stijfheid aan de binnenzijde van het bovenbeen. In feite ben je dan al te ver gegaan. Het is een signaal van overbelasting. Een klein signaal wellicht, maar wel een heel belangrijke voor een topsporter. Denk er niet te licht over. In de topsport balanceer je al op de rand van belasting en belastbaarheid, laat staan dat je een klacht geen rust geeft. Doe er dus wat mee, onderschat het niet!”
 
Marcel adviseert om contact op te nemen met een sportfysiotherapeut of een sportarts. “Zoeken via Google op internet levert vaak al wat adressen bij je in de omgeving op. Bel niet alleen als je klachten hebt, maar ook om je eens medisch te checken. Ik ben een voorstander om een sportmedische keuring voor ruiters in te voeren: Om de zwakke punten te analyseren en daaraan te werken om nog beter te kunnen presteren. Zo kun je langzaam insluipende blessures voorkomen.”
 

Nulmeting

Een pasklaar antwoord op wat ruiters naast het rijden het beste kunnen doen om fitter en sterker te worden, heeft Marcel niet. “Het is maatwerk. Het beste is om dit af te stemmen naar aanleiding van de medische check. Dit noemen we een nulmeting. Oftewel: Waar sta je? De meeste ruiters zullen aan de slag moeten met rugtraining, rompstabiliteit en lenigheid, maar er zullen zeker accentenverschillen zijn bij de ruiters. Je moet bovendien ook rekening houden met een mogelijk blessureverleden. Als de ruiters nu direct met z’n allen de sportschool induiken, dan houd ik mijn hart vast. Daar komen ongelukken van.”
 
Marcel raadt de beroepsruiters een dynamische sport aan, zoals joggen, zwemmen, spinning en fietsen. “Ik weet het, ik begeef me op glad ijs. Ik wil niemand zijn plezier ontnemen, zoals een potje voetbal, maar voor een topruiter hangen wel risico’s aan een potje voetbal. Het is een totaal andere belasting op de spieren. Laat je adviseren naar aanleiding van een medische test, afgenomen door een professional: een sportarts of sportfysiotherapeut. Dat is de eerste voorwaarde als je als beroepsruiter wat wil doen aan de gezondheid en fysieke gesteldheid. Ik heb begrepen dat ruiters vaak weinig tijd hebben, maar soms moet je wel eens ergens tijd voor maken. Als je klachten en blessures niet voor bent, bestaat de kans dat je nog veel meer tijd aan herstel kwijt bent. De ruiter van tegenwoordig moet ervan doordrongen raken dat een goede medische begeleiding niet mag ontbreken.”
 

Eerst oorzaak aanpakken, dan de gevolgen

Het vaststellen van een liesblessure is weggelegd voor professionals. Een effectieve behandelstrategie is vaak nog moeilijker te bepalen, stelt Marcel. Hij merkt op dat er veel fysiotherapeuten zijn die zich focussen op het pijnlijke gebied, waarbij ze te weinig aandacht hebben voor het meest essentiële: het opsporen en wegnemen van de oorzaak.
 
“Komt een ruiter eenmaal bij een fysiotherapeut dan is deze therapeut vaak geneigd om de behandeling van deze aandoening te starten zonder gedegen onderzoek en een duidelijke diagnose”, vertelt Marcel. “De behandeling is vaak gebaseerd op hedendaagse inzichten uit de literatuur zoals het verbeteren van de rompstabiliteit en de spierkracht van de adductoren, maar dat is niet voldoende.”
 
Er is een naam voor de chronische liesblessure: Longstanding Adduction-related Groin Pain (langdurig adductiegerelateerde liespijn), afgekort LAGP. Een effectieve behandelstrategie bepalen is moeilijk voor de fysiotherapeut, laat Marcel weten. “Dat komt omdat diagnostische tekens van een chronische (pees)irritatie van de adductoren vaak onduidelijk zijn of niet zijn vast te stellen. Onderzoeksmethoden zoals MRI en echografie zijn niet altijd (direct) voorhanden en duidelijke normen en waarden hiervoor ontbreken.”
 
Er bestaat een aantal praktische tests en aanknopingspunten die de diagnose van een chronische liesblessure kunnen specificeren en die de fysiotherapeut handvatten kunnen geven voor de juiste behandelstrategie, legt Marcel uit. Het belangrijkste behandeldoel moet zijn: het normaliseren van de verhoogde spierspanning (adductorenhypertonie). In de praktijk betekent dit dat de oorzaken van deze hypertonie moeten worden weggenomen. Uit onderzoek blijkt dat de bewegingsvrijheid van de lage rug, het heupgewicht en de heupbuiger (M. Iliopsoas) daarbij een cruciale rol spelen.
 
“De behandelaar moet beseffen dat de verhoogde spierspanning in de adductoren een gevolg zijn van omliggende biomechanische veranderingen. Zoek naar afwijkingen in de keten, in het heupgewricht en omliggende structuren zoals het SI-gewricht en de wervelkolom. Een disbalans of verminderde mobiliteit in dit gebied is vaak de oorzaak van een liesblessure. Daarom is het belangrijk om eerst dit probleem aan te pakken. Anders blijf je in een vicieuze cirkel hangen.”
 

Preventie

Het voorkomen van een blessure is nog belangrijker. Er zijn voldoende preventieve maatregelen die een professionele ruiter kan nemen. Marcel zet ze op een rij:
 
  • Onderga het liefst elk kwartaal een medische check bij een sportarts of sportfysiotherapeut. Bij deze medische check gaat het vooral om het lichamelijk onderzoek: met name de controle en mobiliteit van de rug en heupen, en spierlengtes. Oftewel proberen op te sporen waar de zwakke schakels zitten en of er sprake is van disbalans.
  • Zorg voor een goede basisconditie en laat de conditie 2x per jaar testen.
  • Zorg voor een warming-up en cooling down voor en na het rijden. Bijvoorbeeld in- en uitfietsen op een hometrainer.
  • Werk aan een goede rompstabiliteit (rug- en buikspieren)
  • Pas rek- en strekoefeningen toe.
  • Laat je eens regelmatig masseren. Het is geen overbodige luxe. Bezoek een sportmasseur of sportfysiotherapeut en laat de spanning uit je spieren weghalen en pak eens een sauna.
 
Geschreven door Wendy Scholten, zie voor meer informatie: www.wendyscholten.nl